Ihre Suchergebnisse

Der Reinbeker

Rezension Der Reinbeker 6. Juni 2019 | Peter Steder | 6. Juni 2019 Musik aus aller Welt

Rachmaninov schuf 1901 nach einer längeren schöpferischen Pause mit seinem op. 39 das erste große Sonatenwerk eines russischen Komponisten. Es zeigt in eng verzahnten Sätzen melodisch-harmonischen Reichtum und emotionale Dichte. Seine berühmte »Vocalise« und kleinere Stücke von Glasunow, Tschaikowski, Arenski und Skrjabin runden die repräsentative Auswahl ab.
Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek

Rezension Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek Maart 25, 2019 | Michel Dutrieue | 15. März 2019 Heerlijk mooie Impromptus, Moments musicaux e.a. van Schubert, door Kemal Cem Yilmaz en Patricia Montero, op de labels Audite en pavane

Na een schitterende carrière als docente, nam Patricia Montero, een leerlinge van Eduardo del Pueyo, een aantal pianowerken van Schubert op, die haar heel na aan het hart liggen, inclusief de weinig gespeelde en onafgewerkte Sonate D. 571. Kemal Cem Yilmaz begon op achtjarige leeftijd piano te studeren bij Daniel Vodovoz in Langenhagen, nabij Hannover. Het publiek was verrukt over zijn talrijke concerten als kind, want zijn spel was reeds volwassen en inspirerend. Patricia Montero en Kemal Cem Yilmaz brengen nu op hun nieuwe cd, de verklanking van de intieme, dichterlijke emotionaliteit van Franz Schubert.

Schuberts hier, door Kemal Cem Yilmaz gespeelde, acht Impromptus uit 1827, zijn karakterstukken die tot zijn bekendste en populairste pianowerken behoren. Vol rijke lyriek, zijn ze weliswaar veel meer dan kleine toevalligheden “à l’improviste”, zoals de titel laat vermoeden. De Impromptus, gecomponeerd tijdens een vakantie in Graz, werden gepubliceerd in twee sets van elk vier Impromptus. De eerste twee stukken van de eerste set werden in 1827 tijdens het leven van de componist, door Haslinger in Wenen gepubliceerd als op. 90. De derde en vierde van de eerste set werden gepubliceerd in 1857. De tweede set werd in 1839 postuum gepubliceerd als op. 142, met een opdracht toegevoegd door de uitgever, aan Franz Liszt. De twee sets zijn nu gecatalogiseerd als respectievelijk D. 899 en D. 935. Ze worden terecht beschouwd als één van de belangrijkste voorbeelden van het fijn en populair Biedermeier genre in het Wenen van de vroege 19de eeuw.

Eén van de opmerkelijkste aspecten van Schuberts talent was ongetwijfeld zijn vermogen om als tijdgenoot van de grote Beethoven, voor wie hij trouwens de grootste bewondering had, zijn eigen persoonlijke taal te ontwikkelen. Door het combineren van één sonate en twee verzamelingen korte pianostukken, eert de opname van Patricia Montero, twee verschillende maar complementaire aspecten van Schuberts pianowerken. Bovendien gaf Schubert als één van de eersten in die tijd, bekendheid aan kleine genres, zoals korte stukken voor piano, Impromptus, Moments musicaux en Klavierstücke. Het specifiek karakter van deze korte stukjes werd gevormd door hun lyriek, die overal terug te vinden is en die terecht geassocieerd wordt met zijn talent voor het componeren van liederen.

De beroemdheid van Schuberts korte stukken heeft echter de bekendheid van zijn bijzondere sonates overschaduwd. Het aantal sonates, gecomponeerd door Schubert, is moeilijk te bepalen, omdat vele helaas niet voltooid werden. Dit is het bv. geval met de waardevolle Sonate in fis D. 571. Deze Sonate werd gecomponeerd in juli 1817 maar werd pas voor het eerst gepubliceerd door Breitkopf & Härtel in 1888. De sonate is onvolledig. Ze bestaat slechts uit slechts één enkele beweging, en zelfs die werd niet voltooid. Anderen, zoals Eusebius Mandyczewski (1857-1929), Howard Ferguson, Noël Lee en Martino Tirimo (°1942), hebben geprobeerd de veronderstelde intenties van Schubert te realiseren. Deze hypothetische aanvullingen van de sonate werden door hen ontleend aan afzonderlijk gepubliceerde stukken van Schubert, zoals een (verondersteld) Andante in A, D. 604, een Allegro vivace in D, en een Allegro in fis, D. 570.

Schubert componeerde Drei Klavierstücke D. 946, in mei 1828, amper zes maanden voor zijn overlijden. Ze waren oorspronkelijk bedoeld als een derde set van vier Impromptus, maar er werden er slechts drie gecomponeerd. De Klavierstücke werden voor het eerst gepubliceerd in 1868, onder redactie van Brahms. In vergelijking met de sets D. 899 en D. 935, worden deze werken jammer genoeg vaak verwaarloosd en worden ze dan ook niet vaak gespeeld of opgenomen. Er is daarnaast weliswaar twijfel of deze stukken daadwerkelijk een cyclus vormen of dat ze zijn samengevoegd door Brahms. Sommige musicologen noemen de stukken geen Impromptus, terwijl de eigenlijke Impromptus D. 899 en D. 935, de neiging hebben dichter bij de sonatevorm te staan. De constructie van de stukken D. 946 is trouwens ook anders en staat tamelijk dicht bij de Moments musicaux, cfr. hoe Schubert de midden episoden van de stukken componeerde, en hoe hij telkens de tweede thema’s introduceerde.

In de Six Moments musicaux op. 94 (D. 780) vinden we een grote formele diversiteit aan Schubert-achtige eigenschappen, zijn uniek melodisch talent, zijn buitengewone en originele harmonie met onverwachte akkoorden en modulaties, zijn vermogen om zijn eigen intieme toonkleur te creëren, en zijn voorkeur voor sfeer en schemering.

De zes Moments musicaux, D. 780 (op. 94) werden gecomponeerd tussen 1823 en 1828 en gepubliceerd in het voorjaar van 1828. De oorspronkelijk titel “Moments Musicals” kwam niet van Schubert, maar werd bedacht door de pianist, componist en uitgever, Maximilian Marcus Joseph Leidesdorf (1787-1840) (foto). Naast de Impromptus, Militaire Mars en de Wanderer Fantasie, behoren ze tot Schuberts meest geliefde en beroemdste pianostukken. Schubert zou ze gecomponeerd hebben onder invloed en naar het voorbeeld van de Impromptus, op. 7, uit 1822, van Jan Václav Voříšek en deze van Heinrich Marschner (1795-1861). Schuberts nr. 3 in f werd gearrangeerd door o.a. Leopold Godowsky (foto met Charlie Chaplin), en de zesde werd reeds in 1824, afzonderlijk gepubliceerd in een kerstalbum met als titel, “Les plaintes d’un troubadour”.

Het eerste Moment musical (Moderato) liet al echo’s horen van zijn latere Pianosonate (“Premiere Grande Sonata”), in la klein, D 845, uit 1825, maar bleef nog grotendeels binnen de stijl van de vroeg romantiek. De tweede (Andantino) ontwikkelde de typische sterke emotionele uitbarstingen van Schubert. Opvallend hier is het gebruik van fis (klein) als de toonaard van de dood binnen de romantische stijl, die optreedt in het donker, monotoon B-deel, die naar het einde van de episode, in drama toeneemt. Het doelloos pendelmotief van de A-episode wijst naar het motief van de verdwaalde zwerver, die in zo veel werken van Schubert voorkomt. Pendelmotieven stralen hopeloosheid en doelloosheid uit. Het derde stuk (Allegro Moderato), ook bekend als “Air Russe”, doet denken aan de vele dansen die Schubert voor piano componeerde. In tegenstelling tot de sombere stemming van andere in de cyclus, is deze bijgevolg eerder licht verteerbaar.

In het vierde stuk (Moderato) zijn duidelijk echo’s van Bach te horen, met wiens werk Schubert druk bezig was op het moment dat hij de stukken componeerde. De latente tweestemmigheid in de A-episode, is zeer vergelijkbaar met de prelude in c uit het eerste deel van Bachs “Welgetemperd Klavier”. Het vijfde stuk (Allegro Vivace) heeft een mars-karakter vol drama en de monotonie van het zesde en laatste deel van de cyclus (Allegretto) doet opnieuw denken aan de metafoor van de zwerver (foto, “Der Wanderer im Schwarwald” van Hans Thoma).

De pianistische vereisten om deze “Moments” te spelen, zijn technisch gezien, eerder laag, maar er is een delicate toucher en warme empathie vereist. Net als vrijwel alle meer bekende, korte pianowerken van Schubert, maken de Moments Musicaux geen indruk door virtuositeit, maar eerder door een opvallend grote verscheidenheid aan fijne, emotionele expressie, precies zoals Patricia Montero, geheel in de lijn van haar leraar, het speelt en aanvoelt.

Haar leraar, de Spaanse pianist en pianopedagoog, Eduardo Del Pueyo (1905-1986) (foto), vestigde zich in 1935 in Brussel en werd er een beroemde docent aan het Koninklijk Conservatorium. Daarnaast was hij van 1952 tot 1983, jurylid en adviseur van de Koningin Elisabethwedstrijd voor piano.

Gevormd door de legendarische pianist en pianopedagoog, Pierre Sancan (1916-2008), aan het Conservatorium (CNSM) in Parijs, en vervolgens negen jaar door Eduardo Del Puyeo, is Patricia Montero (foto’s) een briljante pianiste en pedagoge met veel ervaring. Na assistente van Jean-Claude Vanden Eynden, tevens ex-leerling van del Pueyo, werd ze zelf professor aan het Conservatorium van Bergen/Mons en vervolgens in Brussel. Patricia Montero heeft vele onderscheidingen ontvangen, waaronder “Citizen of Honor” van de stad Dallas, en geeft ook regelmatig Masterclasses in Mexico en Spanje.

De Turks-Duitse pianist, Kemal Cem Yilmaz (foto’s), uit Hannover, studeerde piano bij Heidi Kohler, Markus Groh en Christopher Oakden in Hannover, en bij Alfredo Perl in Detmold. Gelijktijdig met zijn muzikale studies en concertactiviteiten, werkte Kemal Cem Yilmaz twaalf jaar als … taxichauffeur in Hannover. Deze zoon van Turkse immigranten, woonde als freelance pianist en componist in Hannover en Istanbul. De Turkse pianiste, Idil Biret, werd zijn belangrijkste beschermvrouw. Al sinds zijn kindertijd is improviseren en componeren voor Yilmaz net zo natuurlijk als de ontwikkeling en uitvoering van de tijdloze werken uit de pianoliteratuur.

Zijn muzikale ervaringen uit zijn vroege jeugd werden aanzienlijk beïnvloed door Turkse, Perzische en Indiase klassieke kunstmuziek en volksmuziek, evenals door Duitse kinderliederen. De focus van het artistiek werk van Kemal Cem Yilmaz ligt in Turkije, maar tegelijkertijd streeft hij ernaar zich te vestigen in de concertcircuit van andere landen, vooral in Duitsland. In 2002 ontving hij de 1e prijs op de nationale Turkse pianowedstrijd in Eskisehir. In Turkije heeft Kemal Cem Yilmaz een druk concertschema ontwikkeld met gerenommeerde orkesten, gerenommeerde kamermuziekpartners en soloprogramma’s. Het profiel van Kemal Cem Yilmaz kenmerkt zich door sociale betrokkenheid, bijvoorbeeld in de vorm van liefdadigheidsconcerten voor “Kindernothilfe” of zijn erelidmaatschap van het Duits pedagogisch muziekproject, “Rhapsody op school”.
The Art Music Lounge

Rezension The Art Music Lounge May 4, 2019 | Lynn René Bayley | 4. Mai 2019 Quartetto di Cremona’s Fabulous Schubert

The recorded sound is also remarkable, clear and forward with just the right amount of light natural room reverb to make them sound as if they were playing in your living room. An absolutely outstanding release.
http://several-instruments.blogspot.com

Rezension http://several-instruments.blogspot.com Thursday, April 25, 2019 | Dean Frey | 25. April 2019 Another brilliant musical document from post-war Berlin

The Quartetto Italiano was the first of the new post-war groups that inaugurated a new golden age of String Quartets: the Quartetto Italiano was formed in 1945, the Juilliard String Quartet and LaSalle Quartet in 1946, and the Janáček and Amadeus quartets in 1947. Audite here brings us three CDs worth of fabulous recordings for RIAS ("Radio in the American Sector" of Berlin). The RIAS studios were excellent, and their engineers highly accomplished, so we have (as with the Amadeus Quartet album I reviewed late last year) an excellent idea of how these musicians sounded, in this case between 1951 to 1963. The group's repertoire is interesting, especially considering the period: Donizetti, Malipiero and Cherubini provide an Italian antipasto, if I may be permitted a metaphor (pun!) in questionable taste (taste!). Their 1959 Ravel interpretation is searching, and sometimes fierce; maybe even more so than their late recordings of core repertoire. This is a standout performance, though it's perhaps less than Gallic. The early String Quartet no. 8 by Schubert, from 1963, has the characteristic QI sound of their studio recordings of the Viennese masters: it's taut and tight and intense, eschewing sentimentality and emphasizing structure over story-telling. The first of the Haydn String Quartets op. 77 is the earliest recording here, from 1951. It's sunnier and more fun (to listen to, and I expect, to play) than the more disciplined Haydn the Quartetto Italiano developed later in their recording career. These recordings are at a higher level in both sonics and interpretation than your average historic releases, and the excellent documentation and the fact that a number of the works have never been released, make this a must-listen for chamber music fans.
Scherzo

Rezension Scherzo 01.05.2019 | Félix de Azúa | 1. Mai 2019 Este cofre es imprescindible para seguidores serios, investigadores o meros...

Este cofre es imprescindible para seguidores serios, investigadores o meros aficionados a la música de Schumann. La primera y primordial razón es la espléndida presencia de la orquesta de Colonia, cuya plenitud sonora, disciplina y libertad son sensacionales.
Gramophone

Rezension Gramophone 22.05.2019 | David Threasher | 22. Mai 2019 The particular twist in the Quartetto di Cremona’s coupling of Schubert’s...

The particular twist in the Quartetto di Cremona’s coupling of Schubert’s two most popular late string masterpieces is their use of four instruments once owned by Nicolò Paganini – one of only six quartet ‘sets’ made by Antonio Stradivari. Under the fingers of these players (actually Genoese, despite the name of the ensemble), the instruments sound rich and even, recorded in an acoustic that allows the sound an attractive bloom. Combined with thoughtful interpretations, this makes the present two-disc package recommendable as a coupling of these two monuments of the repertoire.

It’s the same coupling with which the Pavel Haas Quartet won the Chamber category of the 2014 Gramophone Awards.

And, really, comparisons between the two recordings are encouraging. Perhaps the Czech ensemble receive the slightly more intimate recording, although the halo of glowing resonance in their Prague studio is one of the many winning joys of their set. Tempos differ only slightly between the two recordings and both groups demonstrate an acuity born of long and pleasurable experience with both pieces.

The PHQ, however, display an extra degree of responsiveness, for example in the repeated accompaniment figures that power so much of this music from within. Not that it ever becomes simply dogged repetition in the Cremona Quartet’s reading; but the Pavel Haas players inflect these rhetorical figures with a unique, innate understanding. The PHQ’s bearers of the two works’ overflowing melody – not limited to the first violinist – react just a touch more acutely, refusing to play anything quite the same way twice. Nobody will be unhappy with the finely played, deeply considered readings of the Quartetto di Cremona. But the Pavel Haas Quartet are something else, and will take a lot of beating.
Ritmo

Rezension Ritmo June 2019 | Gonzalo Pérez Chamorro | 1. Juni 2019 Estamos acostumbrados a que las grabaciones y conciertos de Josu de Solaun no...

[Josu de Solaun] ahora se acompaña con la violinista Franziska Pietsch, una intérprete habitual del sello Audite, para ofrecer dos Sonatas que coinciden en que sus autores vivieron cada momento de su vida pensando y sufriendo en la situación política que les tocó vivir.
www.artalinna.com

Rezension www.artalinna.com 8 May 2019 | Jean-Charles Hoffelé | 8. Mai 2019 Leurs vrais visages

Les deux Quatuors de Schumann sont ardents, hantés, d’une facture éblouissante, le Quatuor Op. 77 No. 1 de Haydn prodigieux d’esprit et de poésie, mais l’apport majeur de cet ensemble est bien le 8e Quatuor de Schubert, joué comme un cri, sostenuto, enfiévré, d’une tension intenable, vraie musique du bord de l’abîme. Et dire qu’un tel coup de génie dormait dans les archives depuis soixante-huit ans !

Suche in...

...