Ihre Suchergebnisse (9960 gefunden)

Radio Bremen

Rezension Radio Bremen Radio Bremen2, CD-Tipp vom 02.10.2021 | October 2, 2021 BROADCAST: CD-TIPP

Musik aus einer Sammlung, die man heute als „Best of“ bezeichnen würde, komponiert vor rund 500 Jahren und überliefert in einer dieser Handschriften, die uns ein großartiges Bild der damaligen Musikkultur liefern. In diesem Fall führt sie uns in den frankoflämischen Raum, der zur damaligen Zeit eine der Hochburgen erstklassiger Musik war. Viele Komponisten von heutigem Weltrang stammten von dort, z.B. der um 1452 geborene Pierre de la Rue, einer der wichtigen Komponisten der burgundischen Hofkapelle. Ohnehin ist der Basevi Codex eine Art „Who is Who“ der damaligen Szene, entstanden wahrscheinlich im Umfeld der Margarete von Österreich am Hofe von Mechelen. Der Name allerdings stammt vom dem italienischen Sammler, der eine wunderschöne Kopie erwarb und sie später dem Konservatorium in Florenz schenkte.

[Musik: Heinrich Isaac – La mi la sol]

Auch Heinrich Isaac gehört zu den großen Namen der damaligen Zeit und es ist ein wahres Glück, dass dem Boreas Quartett Bremen ein Faksimilie des Codex nach einem Konzert geschenkt wurde. Im Booklet wird anschaulich beschrieben, wie man das Ganze dann langsam in Klänge übersetzte und da lässt einem die Musik der Renaissance einige Freiheiten. Wir haben es hier mit einer tollen Kombination aus Stimme und Blockflöten zu tun, letztere kommen ja der menschlichen Stimme sehr nahe und am Gesang orientierte sich damals Vieles. Mit der Sopranistin Dorohtee Mields konnte eine großartige Spezialistin für diese intimen Klänge gewonnen werden und die Schönheit ihres Gesanges mischt sich auf perfekte Weise mit dem Klang der Blockflöten – das Boreas Quartett Bremen stellt hier wieder einmal unter Beweis, dass es unbedingt zu den führenden Ensembles dieser Art gehört. Ein beglückendes Album in musikalischer Hinsicht und ein großartiges historisches Zeugnis seiner Zeit.
La Tribune de l'Orgue

Rezension La Tribune de l'Orgue Septembre 2021 73/3 | September 1, 2021 Julia Fritz et Consorts

Un disque où l'on n'entend que de la flûte à bec: c'est donc bien égal...
Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek

Rezension Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek april 3, 2020 | April 3, 2020 3 bijzondere cd’s op het label Audite. Uniek!

Paul Tortelier (1914-1990) was, naast Pierre Fournier, de grootste Franse cellist van zijn tijd en een van de meest gevraagde, internationale solisten. Eind jaren dertig startte hij zijn carrière, die ruim vijftig jaar duurde. In deze kamer- en solowerken van Bach tot vroeg modernisme komt Torteliers expressief en elegant spel tot zijn recht.Deze editie presenteert kamermuziekopnames uit de archieven van Deutschlandfunk Kultur: een indrukwekkende illustratie van het enorm repertoire van deze geweldige cellist aan het begin van zijn carrière. Drie werken die hier zijn opgenomen, zijn nu voor het eerst op cd beschikbaar in zijn interpretaties, Schumanns Fantasiestücke, op. 73, Alfredo Casella’s cellosonate in C en Torteliers eigen “Trois p’tits tours”, waarvan alleen het derde stuk, “Burlesque-Le Pitre”, eerder op cd beschikbaar was. Deze release maakt deel uit van de serie “Legendary Recordings” en draagt de stempel, “1st Master Release”. De term staat voor de uitzonderlijke kwaliteit van de archiefuitgaven van Audite, die allemaal, zonder uitzondering, zijn geproduceerd met originele banden uit de radioarchieven. De pianisten zijn Lothar Broddack en Klaus Billing.

Paul Tortelier, geboren in Parijs, werd op twaalfjarige leeftijd student aan het Conservatorium van Parijs, waar hij vier jaar later afstudeerde als beste cellostudent. Zijn leraren waren Louis Feuillard, (1872-1941), de auteur van de belangrijke “Exercices journaliers” voor cello en Gérard Hekking, en zijn docent harmonieleer was Jean Gallon (1878-1959). De Nederlands-Franse cellist, (1879-1942) Gérard Hekking was ook de leraar van Pierre Fournier en Maurice Gendron. en Gallon was ook de leraar van o.a. Maurice Duruflé, en Olivier Messiaen. Van 1935 tot 1937 was Tortelier solocellist van het Orchestre Philharmonique de Monte Carlo. Hier speelde hij onder andere de solopartij in Richard Strauss’ Don Quichote. Dit stuk werd later veelal geassocieerd met Tortelier. Hij voerde het vaak uit en maakte er ook opnamen van. In 1939 trad hij toe tot het Boston Symphony Orchestra. In 1947 maakte hij zijn debuut in het Verenigd Koninkrijk, waar hij opnieuw Don Quichote van Richard Strauss speelde. In 1950 werd Tortelier door Pablo Casals geselecteerd om te spelen als eerste cellist in het Prades Festival Orchestra.

Paul Tortelier werd in 1956 professor aan het Conservatorium van Parijs. In 1969 verliet hij als gerenommeerd pedagoog, het Conservatorium voor de Folkwanghochschule in Essen, waar hij bleef tot 1975, en daarna gaf hij nog van 1978 tot 1980, les aan het Conservatorium van Nice. Tortelier gaf les aan o.a. Jacqueline du Pré. In 1955 maakte hij met de toen wereldberoemde, Engelse pianist/begeleider (senior staff accompanist van de BBC), Ernest Lush (1908-1988) zijn televisiedebuut op de BBC. Daarna gaf hij voor de Britse televisie nog een reeks masterclasses die een groot succes waren. Tortelier schreef ook het boek, “How I Play, How I Teach” (“Comment je joue, comment j’enseigne”), uitgegeven door Chester in Londen in 1973.

Tortelier is tweemaal getrouwd. Zijn eerste huwelijk, met Madeleine Gaston, eindigde in 1944 in een scheiding. Daarna huwde hij met de celliste, Maud Monique Martin . (°1951) (foto). Uitzonderlijk is het feit dat hij zijn kinderen terugtrok uit het formele onderwijs om zich enkel aan de muziek te kunnen wijden. Tijdens een interview op de Britse tv werd hem gevraagd of er geen autoriteiten in Frankrijk waren waardoor je kinderen naar school moest sturen. Hij antwoordde: “Ik ben een solist en zij zullen solist zijn.” Zijn zoon, de als violist opgeleide, Yan Pascal Tortelier (°1947), die les kreeg van o.a. Nadia Boulanger, is een internationaal bekend dirigent geworden, zijn dochters, Maria de la Pau (foto’s) is pianiste, en zijn andere dochter, Pomone, is celliste,fluitiste en zangers…

Maria de la Pau (foto’s) werd geboren in 1950 tijdens het eerste festival Pablo Casals in Prado. Casals (foto) werd haar peetvader (foto) en gaf haar de naam Pau (vrede), die zij naast haar familienaam gebruikt. Op vijfjarige leeftijd kreeg zij haar eerste piano- en vioollessen waarna zij definitief voor de piano koos. Zij voltooide haar opleiding aan het conservatorium van Parijs bij Jeanne-Marie Darré en lelia Gousseau, en na haar studie in Parijs volgde ze les bij de pianist en Brahms specialist, Detlef Kraus in Essen.

Lothar Broddack (1930-2019) was als pianist vooral actief in de jaren vijftig. Hij maakte een aantal opnames met celliste Zara Nelsova voor Decca en begeleidde ook de violist, Michael Rabin. Hij was een ervaren pianist die piano doceerde aan de Universität der Künste in Berlijn. De Duitse pianist Klaus Billing werd geboren in Düsseldorf in1910 en overleed in Berlijn in 1991. Hij maakte in de late jaren ’40 en de jaren ’50, naast Hertha klust, naam als begeleider van de jonge Dietrich Fischer-Dieskau.
Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek

Rezension Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek augustus 3, 2021 | August 3, 2021 Een sublieme, zilveren klank!

De bijzondere release, “Concerti”, was de debuutopname van het Thuringer Bach Collegium en markeerde het begin van zijn samenwerking met Audite. Hertog Johann Ernst IV van Sachsen-Weimar (1696-1715) werd onderwezen door Johann Gottfried Walther; Johann Sebastian Bach analyseerde ook de composities van de jonge hertog en arrangeerde enkele van zijn concerti voor klavierinstrumenten voor eigen gebruik. Georg Philipp Telemann legde de laatste hand aan de vioolconcerti. De resultaten zijn onmiskenbaar Italiaans: soms briljant virtuoos, soms contemplatief en lyrisch gecomponeerd door de ‘Thüringer Vivaldi’ die veel te vroeg overleed.

Johann Ernst van Sachsen-Weimar (foto), geboren in Weimar in 1696 en heel jong overleden in 1715, was een Duitse hertog. Hoewel hij heel jong overleed, was en bleef hij bekend als componist. Sommige van zijn concerti werden voor klavecimbel of orgel door Johann Sebastian Bach, die destijds de organist van het hof in Weimar was, getranscribeerd. Bach was nl. hoforganist en kamermusicus, later concertmeester, van Willem Ernst (foto), hertog van Saksen-Weimar, de oom van Johann Ernst.

Johann Ernst IV was de jongste zoon van hertog Johann Ernst III. uit Saksen-Weimar (1664-1707) uit zijn tweede huwelijk met Charlotte (1672-1738), dochter van Landgraaf Frederik II van Hessen-Homburg. Na het overlijden van zijn vader in 1707, werd de 10-jarige, samen met zijn oudere halfbroer Ernst augustus, nominaal Hertog van Saxe-Weimar. De broers waren onder het regentschap van hun oom Hertog Wilhelm Ernst. Johann Ernst studeerde aan de Universiteit van Utrecht en werd in 1713 op een cavaliertocht gestuurd. Hier kreeg hij een tumor op zijn been, die zich ondanks uitgebreide verzorging van zijn moeder en kuurverblijven in Schwalbach en Frankfurt, snel verspreidde. De hertog overleed op 18-jarige leeftijd en werd niet begraven in Weimar, maar in de crypte van het kasteel Bad Homburg.

Johann Ernst was muzikaal zeer begaafd. Hij werd reeds tijdens zijn vroege jeugd opgeleid door de Weimar-hofmuzikant Eilenstein en componeerde ongeveer 19 concerti waarmee hij invloed had op de muziek uit de Weimar-periode van Johann Sebastian Bach. Bachs Concerto voor piano nr. 13 in C groot BWV 984, gecomponeerd in 1713/14, werd geschreven naar het Vioolconcert op nr. 4 van Johann Ernst. Na Johann Ernst’ overlijden, publiceerde Georg Philipp Telemann zijn concerti.

Volgens Walthers Lexicon, gepubliceerd in 1732, componeerde Johann Ernst 19 instrumentale stukken in een periode van negen maanden, kort voor zijn dood, toen Walther hem compositie leerde. Acht vioolconcerti bestaan in hun originele instrumentatie. Bach heeft er drie van getranscribeerd: Op. 1 Nrs. 1 en 4 en het Concerto a 8 in G. Een ander concerto van Johann Ernst is alleen bekend door Bachs transcriptie in C. Geen origineel is geïdentificeerd voor BWV 983: het werd mogelijk overgeschreven door Bach van een concerto van Johann Ernst. Het model voor BWV 977 is eveneens verloren: ook in dit geval is een mogelijke toekenning van het verloren origineel aan Johann Ernst onzeker.

Johann Ernst studeerde tussen februari 1711 en juli 1713 aan de Universiteit van Utrecht. Vanuit Utrecht kon hij centra als Amsterdam en Düsseldorf bezoeken en het is bekend dat hij kopieën van Italiaanse muziek naar Weimar stuurde. Er wordt met name gedacht dat hij Vivaldi’s vioolconcerti op.3 kende. De belangstelling van Johann Ernst voor het verzamelen van muziek was genoegzaam bekend dat P. D. Kräuter, toen hij verlof vroeg om bij Bach in Weimar te studeren, de Franse en Italiaanse muziek noemde die de prins daar naar verwachting zou introduceren. Kräuter prees ook de virtuositeit van Johann Ernst als violist.

Tijdens zijn leven heeft Walther achtenzeventig concerti voor klavier getranscribeerd. Bach produceerde ook een aantal virtuoze orgel (BWV 592-6) en klavecimbel (BWV 972-987) arrangementen. Deze omvatten enkele van de eigen werken van Johann Ernst (BWV 592, 592a, 595, 982, 984 en 987) evenals werken van Duitse en Italiaanse componisten, onder wie Telemann (BWV 985) en Vivaldi (foto) (BWV 972, 973 enz.). De Bach-transcripties zijn ruwweg gemaakt in de periode juli 1713-juli 1714 tussen Johann Ernsts terugkeer uit Utrecht en het laatste vertrek van de hertog uit Weimar.

Er is een aantal wetenschappelijke discussies over de rol van Johann Ernst bij het maken van deze arrangementen, of hij nu een of twee van de musici opdracht gaf of met name Bach, een deel van de door Johann Ernst verzamelde werken ter wille van zichzelf bestudeerde. Er zijn suggesties dat de Prins misschien tijdens een bezoek aan Amsterdam in februari 1713 de blinde organist J. J. de Graff heeft gehoord, van wie bekend is dat hij klavier heeft gespeeld met concerti van andere componisten. Hoe dan ook, de ontmoeting van Bach met de collectie van Johann Ernst, en met name de Italiaanse muziek die het bevatte, had een diepgaande invloed op de ontwikkeling van de muzikale stijl van de componist.

Het Thuringer Bach Collegium, o.l.v. Gernot Sußmuth, heeft met uitbundig enthousiasme, de zes vioolconcerti opgenomen van Prins Johann Ernst, zoals ze postuum gepubliceerd werden in 1718 door Telemann. Deze werken worden gecombineerd met nog twee concerti waarvan de originele Weimar-orkestpartijen de tijd overleefden, een concerto voor trompet en orkest en een concerto voor twee violen die als een bewerking door J.S. Bach overleefden en in hun oorspronkelijke versie “hersteld” werden.

Door deze 2 baanbrekende cd opnamen, herleeft een centraal hoofdstuk in de muzikale geschiedenis van Weimar, waarin de werken van de hofcomponist Johann Sebastian Bach ook hun plaats hadden. De concerti van Johann Ernst werden tegelijkertijd met Bachs Weimar-cantates gecomponeerd en leveren als geen ander oeuvre, als het ware de ‘soundtrack’ van het dynamisch, muzikaal leven in het paleis. Het muzikaal perspectief was ook een Europees perspectief. In 1713 brak een ware ‘Vivaldimania’ uit, waarbij de werken van de Venetiaanse componist werden gearrangeerd, geïmiteerd en nagevolgd. Dit kan worden ervaren in de schitterende concerti van de prins, gecomponeerd in de beste Vivaldiaanse stijl. Niet te missen!
Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek

Rezension Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek augustus 3, 2021 | August 3, 2021 Een sublieme, zilveren klank!

De bijzondere release, “Concerti”, was de debuutopname van het Thuringer Bach Collegium en markeerde het begin van zijn samenwerking met Audite. Hertog Johann Ernst IV van Sachsen-Weimar (1696-1715) werd onderwezen door Johann Gottfried Walther; Johann Sebastian Bach analyseerde ook de composities van de jonge hertog en arrangeerde enkele van zijn concerti voor klavierinstrumenten voor eigen gebruik. Georg Philipp Telemann legde de laatste hand aan de vioolconcerti. De resultaten zijn onmiskenbaar Italiaans: soms briljant virtuoos, soms contemplatief en lyrisch gecomponeerd door de ‘Thüringer Vivaldi’ die veel te vroeg overleed.

Johann Ernst van Sachsen-Weimar (foto), geboren in Weimar in 1696 en heel jong overleden in 1715, was een Duitse hertog. Hoewel hij heel jong overleed, was en bleef hij bekend als componist. Sommige van zijn concerti werden voor klavecimbel of orgel door Johann Sebastian Bach, die destijds de organist van het hof in Weimar was, getranscribeerd. Bach was nl. hoforganist en kamermusicus, later concertmeester, van Willem Ernst (foto), hertog van Saksen-Weimar, de oom van Johann Ernst.

Johann Ernst IV was de jongste zoon van hertog Johann Ernst III. uit Saksen-Weimar (1664-1707) uit zijn tweede huwelijk met Charlotte (1672-1738), dochter van Landgraaf Frederik II van Hessen-Homburg. Na het overlijden van zijn vader in 1707, werd de 10-jarige, samen met zijn oudere halfbroer Ernst augustus, nominaal Hertog van Saxe-Weimar. De broers waren onder het regentschap van hun oom Hertog Wilhelm Ernst. Johann Ernst studeerde aan de Universiteit van Utrecht en werd in 1713 op een cavaliertocht gestuurd. Hier kreeg hij een tumor op zijn been, die zich ondanks uitgebreide verzorging van zijn moeder en kuurverblijven in Schwalbach en Frankfurt, snel verspreidde. De hertog overleed op 18-jarige leeftijd en werd niet begraven in Weimar, maar in de crypte van het kasteel Bad Homburg.

Johann Ernst was muzikaal zeer begaafd. Hij werd reeds tijdens zijn vroege jeugd opgeleid door de Weimar-hofmuzikant Eilenstein en componeerde ongeveer 19 concerti waarmee hij invloed had op de muziek uit de Weimar-periode van Johann Sebastian Bach. Bachs Concerto voor piano nr. 13 in C groot BWV 984, gecomponeerd in 1713/14, werd geschreven naar het Vioolconcert op nr. 4 van Johann Ernst. Na Johann Ernst’ overlijden, publiceerde Georg Philipp Telemann zijn concerti.

Volgens Walthers Lexicon, gepubliceerd in 1732, componeerde Johann Ernst 19 instrumentale stukken in een periode van negen maanden, kort voor zijn dood, toen Walther hem compositie leerde. Acht vioolconcerti bestaan in hun originele instrumentatie. Bach heeft er drie van getranscribeerd: Op. 1 Nrs. 1 en 4 en het Concerto a 8 in G. Een ander concerto van Johann Ernst is alleen bekend door Bachs transcriptie in C. Geen origineel is geïdentificeerd voor BWV 983: het werd mogelijk overgeschreven door Bach van een concerto van Johann Ernst. Het model voor BWV 977 is eveneens verloren: ook in dit geval is een mogelijke toekenning van het verloren origineel aan Johann Ernst onzeker.

Johann Ernst studeerde tussen februari 1711 en juli 1713 aan de Universiteit van Utrecht. Vanuit Utrecht kon hij centra als Amsterdam en Düsseldorf bezoeken en het is bekend dat hij kopieën van Italiaanse muziek naar Weimar stuurde. Er wordt met name gedacht dat hij Vivaldi’s vioolconcerti op.3 kende. De belangstelling van Johann Ernst voor het verzamelen van muziek was genoegzaam bekend dat P. D. Kräuter, toen hij verlof vroeg om bij Bach in Weimar te studeren, de Franse en Italiaanse muziek noemde die de prins daar naar verwachting zou introduceren. Kräuter prees ook de virtuositeit van Johann Ernst als violist.

Tijdens zijn leven heeft Walther achtenzeventig concerti voor klavier getranscribeerd. Bach produceerde ook een aantal virtuoze orgel (BWV 592-6) en klavecimbel (BWV 972-987) arrangementen. Deze omvatten enkele van de eigen werken van Johann Ernst (BWV 592, 592a, 595, 982, 984 en 987) evenals werken van Duitse en Italiaanse componisten, onder wie Telemann (BWV 985) en Vivaldi (foto) (BWV 972, 973 enz.). De Bach-transcripties zijn ruwweg gemaakt in de periode juli 1713-juli 1714 tussen Johann Ernsts terugkeer uit Utrecht en het laatste vertrek van de hertog uit Weimar.

Er is een aantal wetenschappelijke discussies over de rol van Johann Ernst bij het maken van deze arrangementen, of hij nu een of twee van de musici opdracht gaf of met name Bach, een deel van de door Johann Ernst verzamelde werken ter wille van zichzelf bestudeerde. Er zijn suggesties dat de Prins misschien tijdens een bezoek aan Amsterdam in februari 1713 de blinde organist J. J. de Graff heeft gehoord, van wie bekend is dat hij klavier heeft gespeeld met concerti van andere componisten. Hoe dan ook, de ontmoeting van Bach met de collectie van Johann Ernst, en met name de Italiaanse muziek die het bevatte, had een diepgaande invloed op de ontwikkeling van de muzikale stijl van de componist.

Het Thuringer Bach Collegium, o.l.v. Gernot Sußmuth, heeft met uitbundig enthousiasme, de zes vioolconcerti opgenomen van Prins Johann Ernst, zoals ze postuum gepubliceerd werden in 1718 door Telemann. Deze werken worden gecombineerd met nog twee concerti waarvan de originele Weimar-orkestpartijen de tijd overleefden, een concerto voor trompet en orkest en een concerto voor twee violen die als een bewerking door J.S. Bach overleefden en in hun oorspronkelijke versie “hersteld” werden.

Door deze 2 baanbrekende cd opnamen, herleeft een centraal hoofdstuk in de muzikale geschiedenis van Weimar, waarin de werken van de hofcomponist Johann Sebastian Bach ook hun plaats hadden. De concerti van Johann Ernst werden tegelijkertijd met Bachs Weimar-cantates gecomponeerd en leveren als geen ander oeuvre, als het ware de ‘soundtrack’ van het dynamisch, muzikaal leven in het paleis. Het muzikaal perspectief was ook een Europees perspectief. In 1713 brak een ware ‘Vivaldimania’ uit, waarbij de werken van de Venetiaanse componist werden gearrangeerd, geïmiteerd en nagevolgd. Dit kan worden ervaren in de schitterende concerti van de prins, gecomponeerd in de beste Vivaldiaanse stijl. Niet te missen!
Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek

Rezension Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek mei 19, 2021 | May 19, 2021 Ontdek magnifieke muziek van Fernand de La Tombelle op Bru Zane, en op de cd, “Ravel & La Tombelle”, door het Mandelring Quartett, op het label audite. Subliem !

Het nieuw tweedelige opnameproject van het Mandelring Quartett is gewijd aan het Frans repertoire. Dit deel 1 presenteert het Strijkkwartet van Maurice Ravel, een geniale bijdrage van een 27-jarige componist aan de Franse kamermuziek, en Fernand de La Tombelle’s bijna gelijktijdig gecomponeerd, uiterst verfijnd en kleurrijk Strijkkwartet op. 36, een echte ontdekking!

Een grote onbekende en zeker een van de meest fascinerende hoofdrolspelers van het Frans muziekleven in de late 19de en vroege 20ste eeuw was Fernand de La Tombelle, pianist, organist, schrijver, astronoom, beeldend kunstenaar, auteur van een gids over een traditioneel recept met foie gras en truffels, gepassioneerd wielrenner – en productief componist. Zijn oeuvre omvat meer dan 500 werken.

Antoine Louis Joseph Gueyrand Fernand Fouant de La Tombelle (1854-1928) maakte kennis met de muziek door zijn moeder, Louise Gueyraud, een briljante leerlinge van Liszt en Thalberg. In 1872 besloot hij zich aan muziek te wijden. Hij kreeg privélessen piano, orgel en harmonie van Alexandre Guilmant en werd toegelaten tot het Conservatorium van Parijs en volgde harmonie, contrapunt, fuga en compositie o.a. bij Théodore Dubois. Op 12 juli 1880 trouwde hij in Parijs met de zangeres en schrijfster, Henriette Delacoux de Marivault, (pseudoniem Camille Bruno), met wie hij twee kinderen kreeg, Henry en Denise. Ze schreef gedichten die op muziek gezet werden door haar man of door Jules Massenet, die ze ook vertolkte omdat ze een mooie stem had.

De Fantaisie voor piano en orkest (1888) en zijn Quartet in E minor (1894) leverden hem tweemaal de gouden medaille van de Grand Prix Pleyel op. Als organist bundelde hij zijn krachten met Guilmant voor de Trocadéro-recitals in 1878. Hij werd nooit titularis, maar van 1885 tot 1898, was hij wel de assistent en de vervanger van Théodore Dubois aan het Cavaillé-Coll-orgel van de kerk van de Madeleine in Parijs en verving hij vaak Guilmant voor recitals op het orgel église de la Sainte-Trinité. Daarnaast gaf hij regelmatig orgelconcerten in heel Frankrijk.

Hij nam in 1894 deel aan de oprichting van de Schola Cantorum in 1894, met Charles Bordes, Vincent d’Indy en Alexandre Guilmant, die voornamelijk aan programma’s en het repertoire voor orgel werkten. Hij doceerde er van 1896 tot 1904 harmonie, droeg bij aan de moderne, religieuze muziek en schreef artikelen in La Tribune de Saint-Gervais, het blad van de Schola Cantorum. In 1896 won hij de Chartierprijs van de Académie des beaux-arts voor de kwaliteit van zijn productie op het gebied van kamermuziek. Naast zijn muzikale bezigheden was hij actief geïnteresseerd in poëzie, folklore, beeldhouwkunst, fotografie en astronomie. De laatste jaren van zijn leven bracht La Tombelle door op het kasteel dat hij erfde van zijn grootvader langs moeders kant, het Château de Fayrac in de Dordogne. Hij werd begraven op de begraafplaats van Montparnasse in Parijs en een weg in het 17e arrondissement in Parijs, het Fernand-de-la-Tombelle-plein, draagt zijn naam als eerbetoon.

Fernand de La Tombelle componeerde weinig kamermuziek. We kennen van hem een Suite pour trois Violoncelles, uit 1921, een Berceuse pour violon et piano, uit 1895, een Trio pour piano, violon et violoncelle, op. 35 (1894), het hier opgenomen Quatuor en mi mineur uit 1894), médaille d’or du Prix Pleyel, en een Sonate pour piano et violon en ré mineur op. 40, uit 1898. Zijn in 1895 geschreven strijkkwartet met een magnifiek adagio, is geworteld in de Weense klassieke traditie en toch onmiskenbaar Frans, zeer expressief, harmonisch kleurrijk, verfijnd en uiterst elegant.

Het schitterend, in 1983 opgericht, Duits Mandelring Quartett, oprichter en artistiek leider van het Hambacher Musikfest in Hambach an der Weinstraße, bestaat uit Sebastian Schmidt en Nanette Schmidt, viool, Andreas Willwohl, altviool en Bernhard Schmidt, cello. Twee aanraders.
Rhein-Main Magazin

Rezension Rhein-Main Magazin 11/21 | November 1, 2021 Expressivität, Dramatik und alpenländische Lebensfreude: Das bislang...

Expressivität, Dramatik und alpenländische Lebensfreude: Das bislang verborgene Werk des Haydn-Vorgängers Gregor Joseph Werner steckt voller Kontraste. Die Kompositionen sind Epochen verbindende, klingende Juwelen, die ein neues Licht auf die Wiener Klassik werfen.

Mit der vorliegenden Aufnahme knüpft la festa musicale an den überragenden Erfolg seiner ersten Veröffentlichung mit Werken von Venturini (aud. 97.775) an und widmet sich erneut hochwertigem, aber unbekanntem Repertoire: Gregor Joseph Werner (1693 – 1766).
Rhein-Main Magazin

Rezension Rhein-Main Magazin 11/21 | November 1, 2021 Mit den zugleich glanzvollen und zärtlichen Klängen ihres Instruments...

Mit den zugleich glanzvollen und zärtlichen Klängen ihres Instruments entführt die Harfenistin Sarah Christ in die Welt des Tanzes. Auf ihrer CD „Un bal“ – benannt nach dem zweiten Satz von Hector Berlioz´ Symphonie fantastique – hören wir die Musik Johann Sebastian Bachs, die sich im Rahmen strenger barocker Modelle so wunderbar frei bewegt, die melancholische Eleganz in Chopins und Debussys Walzern, die Folklore und Ländlichkeit in den Stücken von Ferenc Farkas und Manuel de Falla sowie die Schwermütigkeit der Tangos von Astor Piazzolla.

Suche in...

...